Hoe kom je aan mooi vlechtstro?

Interview met Johan Wichink uit Overijssel.

Johan woont alleen op een licht vervallen, schilderachtige boerderij aan een slecht verharde weg in het Salland. Hij spreekt de taal van de streek en langs de laan naar de weg staat een rij bijenkasten opgesteld, waar ieder jaar naar eigen zeggen wel wat voorjaars- en zomerhoning uit komt. De ramen van de huiskamer zijn vanaf de weg nauwelijks te zien door de hoge begroeiing en pal voor de voordeur staat een zeer grote perenboom die veel schaduw geeft.

Ik heb Johan ooit gevonden via het imkersforum, omdat hij vlechtstro aanbood. Voor de korvenvlechter is het ieder jaar weer een hele toer om aan goed, stevig en dik stro te komen, dus dat aanbod nam ik graag aan. Johan besteedt duidelijk veel aandacht aan het verbouwen van roggestro, dus toen ik voor de tweede keer bij hem langsging, besloot ik hem uit te horen. Johan, hoe krijg je van dat mooie vlechtstro? Vertel!

Ik gebruik mijn eigen zaaizaad. Ik heb dat misschien wel tien jaar geleden gekregen van een biologische tuinder. Zij was directrice van de VVM, de vereniging van molenaars of iets dergelijks. Daar heb ik ooit stro gehaald. Ik heb geen idee van het ras. Ook de term ‘Sint Jansrogge’ zegt me weinig. Ik heb er wel eens van gehoord geloof ik, maar of dat dit is, dat weet ik niet. Maar zij had dus echt ouderwetse lange rogge en die moet je hebben. Daar kun je mee vlechten.

Hoe ploeg je?

Ik heb een tuinbouwtrekkertje. Dat ploegt niet zo heel diep, misschien vijftien of twintig centimeter. Meestal wordt rogge op aardappelland gezaaid. Als je de aardappels laat rooit, dan hoef je helemaal niet te ploegen. Dan is het land nog zwart. Je harkt het of je egt het een beetje in en dan is het goed. In oktober zaai je de rogge, dus als je in september de aardappels rooit, dan ben je mooi op tijd. In oktober heb je dan nog zwart land. Het mag wel later. November kan ook wel. Belangrijk is dat het er goed op staat voordat het echt begint te vriezen. Die vorstperiode is gunstig. Die heb je misschien wel nodig. De rogge doet het goed als de vorst eroverheen is geweest.

Hoe moet je zaaien? Kun je dat proberen in woorden uit te leggen?

Het landje waarop ik rogge verbouw is ongeveer tien bij tien. Ik heb eigenlijk geen idee hoe veel kilo ik daarvoor gebruik. Het grootste probleem is om het niet te dik te zaaien. Dat gebeurt snel. Dan bestaat de kans dat het niet stevig genoeg wordt, dan komt er niet genoeg licht bij. Het gaat mij wel om het stro en niet om de korrels. Bovendien is dun stro kwetsbaar voor platslaan door de wind en dat maakt het lastig te maaien en minder geschikt om te oogsten. Ik zie gewoon aan het aantal korrels dat op de grond ligt: nu is het goed. Je kan het ook wel een beetje bijsturen door er zo nu en dan met de hak doorheen te gaan om het een beetje uit te dunnen, dus door hier en daar wat weg te halen. Je zaait eerder te veel dan te weinig!

Hoe bewaar je de roggekorrels?

Gewoon in een plastic emmer met een deksel erop. Het gaat erom dat de muizen er niet bij komen. Ik ben niet zo heel bang voor vocht en schimmel, maar ik stort het nog wel een paar keer over in de winter.

Doe je nog wat met de rogge die je overhoudt?

Ik zet het een dag in het water en met het aardappels koken doe ik er wat rogge bij. Als de aardappels gaar zijn, dan is de rogge ook wel gaar. Wel eerst een etmaal weken, dan koken. Zit er smaak aan? Nee, ook niet echt. Ha ha!

Bemest je het land?

(Stellig) Nee! Nee! Het stro mag niet gaan liggen. Door de mest groeit het veel te hard en wordt het stro veel te dun. Rogge is voor schraal land, arme grond. Dan krijg je stevige rogge.

Wanneer ga je maaien?

Als de korrel net geen ‘melk’ meer geeft. Als je de korrel tussen je nagels fijn drukt, dan mag er geen wittige vloeistof, geen sap meer uit komen. Dan is het stro voor ons doel heel mooi. Als je het langer laat staan, zoals voor het ‘combinen’, voor het maaidorsen, dan moet het zaad knetterhard zijn en dan is het stro te verweerd, te broos voor ons doel.

Hoe moet je maaien? Welk gereedschap gebruik je en hoe moet je het mooi plat neerleggen?

Ik maai met de zeis, maar ik heb er niet zo’n ijzeren boog aan zitten. Vroeger deden ze het met de zicht en de pikhaak. Met die pikhaken [pik, mathaak] maakte je dan de schoven [garven, bossen, bundels]. Maar met de zicht knikt het stro heel snel en om die reden gebruik ik liever de zeis. Ik raap het op met de hand. Dan moet het drogen ‘aan de gast’, dus zes schoven maken samen een ‘gast’. Dat zal in een ander deel van het land weer anders heten, maar bij ons zeggen we het zo.

Een schoof maak je door vijf, zes strootjes uit de bos te trekken en die om de schoof te slaan. Door de uiteinden twee slagen op te winden en in een lus eronder te steken zit die mooi vast. Ik gebruik er altijd een touwtje voor. Een gast maak je door eerst twee schoven stevig schuin tegen elkaar aan te zetten, met de andere vier schoven daar weer tegenaan. Dat hoef je niet te verstevigen. Afhankelijk van het weer staat het een of twee weken te drogen.

Hoe moet je de zeis scherp houden?

(Johan piekert zich suf. Hoe heet zo’n slijpstaaf nou ook al weer? Zo’n houten latje waarmee je de zeis en de zicht aanzet? Hij kan er even niet op komen. Een hoogbejaarde kennis van mij uit de Achterhoek spreekt altijd van een ‘striek’, maar dat woord zegt Johan niets.) Ik ‘haar’ de zeis ook nog wel. Ik zeg niet dat ik het goed kan, maar ik doe het wel. ’t Is niet zo moeilijk. Het valt best mee. Een zicht is niet zo moeilijk, maar een zeis moet véél scherper en dunner zijn dan een zicht. Een zeis moet echt snijden en met een zicht, nou ja, dan sla je toch wat meer. Die hoeft dus niet zo heel flinterdun te zijn.

Je hebt dan zo’n ‘haarspit’ dat je in de grond moet zetten en dan moet je met een speciaal hamertje gaan haren. Je moet dan een beetje schuin tikken, toch?

Mwa, ik doe maar wat eigenlijk. Ha ha! Het is gewoon een kwestie van ‘uitsmeden’.

En dan moet het gedorst worden. Hoe doe jij dat?

Nee, dorsen doe ik niet. Ik knip alle aren eraf met de schaar. Dat is niet zo’n grote klus hoor, dat valt wel mee. Ik dors de aren wel met een stok, niet met een vlegel. Ik gebruik een kromme stok. Die heeft mijn vader ooit in het bos gekweekt. Dat deed ie inderdaad voor dit klusje, jazeker! Hij trok een eikentak krom en liet die een tijd krom groeien, zodat je zo’n mooie tak kreeg. Met een grove hooihark hark ik de lege aren eraf. En dan kun je het nog het kaf eruit halen door het te wannen. Ik doe dat door de korrels in de wind over te storten van de ene emmer in de andere en dan waait het er wel uit.

Aan dat stro zit nog allerlei ‘vuil’, kleine blaadjes en zo. Hoe werk je dat eruit?

Eerst kun je de rommel er met de riek uit ‘krabben’. Dan moet iemand anders het wel vasthouden. Of je gebuikt een plank met spijkers waar je het overheen trekt, een soort grote vork, zeg maar. Er zijn meerdere mogelijkheden. Voor het mooie vlechtwerk trek ik het blad met de hand van de stelen af.

Wat doe je tegen de muizen?

Gewoon, zorgen dat de korrels eruit zijn. Dan heb je er weinig last van.

Weet je al hoe die ‘slijpstaaf’ heet?

Nee, nog steeds niet. Geen idee.

Share this post

Dit bericht heeft één reactie

Geef een antwoord

een × een =