De coronacursus (deel I)

(De foto moet ik te zijner tijd nog een keer vervangen. Dit is een foto uit 2018 geloof ik, toen ik enkele mensen wegwijs maakte met korven en lattenkasten.)

Op zaterdag 3 april zag ik voor het eerst sinds meer dan een jaar de cursisten terug, met wie ik in februari 2020, kort voor het uitbreken van de vleerpest, had kennisgemaakt. Bij de eerste bijeenkomst neem ik de geschiedenis van de bijenteelt door. Ik heb daar een beetje verstand van en ik beschik over allerlei aardige materialen bovendien, dus ik denk dat ik daar altijd wel een mooi verhaal van weet te maken. Uiteindelijk bespreek ik het ontwerp van de moderne raampjeskast, om te eindigen met raampjes timmeren en bedraden en het kunstraten insmelten. Succes gegarandeerd. En dan volgt de eerste praktijkles.

In mijn onnozelheid dacht ik vorig jaar nog dat er een of twee lessen zouden vervallen, waarna we weer gauw konden terugkeren naar normaal. Ik bedoel, een griepgolfje, de Mexicaanse griep; we hadden dit soort gekkigheid toch eerder meegemaakt? Ik maakte YouTube-filmpjes in afwachting van het verlossende nieuws, dat zoals bekend uitbleef en uitbleef. Ik ging door de cursisten te bestoken met opmonterende mail en een enkeling stond ik met raad en daad terzijde. Het werd herfst, het werd winter en ik rekende erop dat de cursus in de nieuwe lente alsnog zou kunnen beginnen.

De NBV ried ons desondanks af cursussen te organiseren in het nieuwe seizoen, met het oog op de goede naam van de vereniging. Alleen, ik had kort daarvoor een plan opgevat en toestemming aan de gemeente gevraagd. Ik beschik over een verenigingsgebouw met cv en sanitair en een naast gelegen bijenstand, een ideale cursuslocatie dus. Maar deze locatie zou nu ongeschikt zijn. Ik verhuisde mijn kasten naar een boomgaard langs de IJssel en ik zette ze flink ver uit elkaar – niet alleen mensen kunnen profiteren van ‘social distancing’; bijen óók.

Ik sloeg het NBV-advies dus beleefd af, maar met een keurige verantwoording, en ik nodigde de oude cursisten uit, van wie slechts een handje vol kwam opdagen. Uiteindelijk bleven er zes over van de tien die aanvankelijk ingeschreven stonden. Eigenlijk vijf, omdat die zesde cursist uit het niets kwam opdagen. Kon mij het schelen: klein is fijn en we waren weer los.

Voorjaarsinspectie

Op zaterdag 3 april was het ijzig koud, niet bepaald het juiste weer voor een voorjaarsinspectie. Ik had de eerste les al twee keer uitgesteld en ik had geen zin om aan de gang te blijven. Dan houden we de kasten gewoon niet al te lang open en dan stellen we het moeren zoeken uit tot de volgende keer. Ik had graag bij zo’n eerste les de verschillende broedstadia bekeken, maar ook daarmee konden we maar beter wachten.

We zaten in een kring onder het hoogstamfruit en ik toonde de cursisten de gevreesde steek. Dit trucje heb ik ooit geleerd van Kees van Holland, thans gepensioneerd, ooit professioneel imker: pak een bij van de vliegplank bij de vleugels en veeg haar langs de rug van je hand, zodat ze meteen steekt. Als je de bij rustig verwijdert van de hand, dan geeft dat een onappetijtelijke, maar educatieve aanblik; je trekt zo een groot deel van de ingewanden eruit. Vervolgens toon ik de angel met het gifblaasje aan het uiteinde en bespreek ik de sadistische anatomie van de angel. Dat is een mooie aanleiding om de pakken aan te trekken.

Raampjes

Als de cursisten hun kraakhagelnieuwe, gepiskreukte en oogverblindend-smetteloze jacks hebben aangetrokken, dan overhandig ik iedereen een oud raampje, dat wil zeggen, een uitgebouwd raampje dat rijp is voor de zonnewassmelter. Ik toon darrencellen en (beschimmeld) stuifmeel en ik leg nog eens uit wat de voordelen zijn van kunstraat en dat dat eigenlijk niet nodig is – ik had een lattenkast met natuurbouw op de cursuslocatie gezet, maar daar kom ik nog wel op terug.

Daarna volgt het raampjes keren: nooit horizontaal, altijd verticaal. Dit lesonderdeel heb ik afgekeken van Albert Stoter uit Apeldoorn, de man achter Imkerpedia. Ooit liep ik stage bij hem voor de lerarencursus. Deze heb ik erin gehouden. Vergeet niet een oud raampje naar het licht te keren, zodat meteen duidelijk is hoe oude, donkere raat eruit ziet.

Rook

Ook bij de kunst van het rook maken sta ik rustig stil. Als ik onervaren imkers zie knoeien met lucifers en berokers die niet willen gaan branden, dan sta ik soms op het punt om alles uit hun handen te rukken: laat mij maar even! Mijn geheim? Eierdozenkarton! Werkt eigenlijk nog beter dan aanmaakblokjes en het smeult eindeloos. Eerst zaagsel van de dierenwinkel in de bus, dan brandend karton erop, even laten vlammen, nog meer zaagsel erop, beetje aandrukken, pompen, en je hebt de rest van je leven rook, als je tijdig zaagsel aanvult. Ook dorre bladeren roken prima. Ik heb ook nog ter demonstratie een oude dathepijp meegenomen, maar ik werk er nooit zo graag mee.

En dan gaat de eerste kast open. Wat zou er nu door de cursisten heen gaan? Voor mij is het te lang geleden; ik heb er geen herinneringen meer aan. Ik vind het sowieso erg lastig om mij voor te stellen wat een cursist wel en niet weet. Zo gebruikte ik achteloos en te pas en te onpas het woord ‘moer’, waarop een cursist aan mij vraagt wat dat eigenlijk betekent. Oei, zou ze nog iets hebben begrepen van het verhaal?

Ik hang twee kantramen, dus de ramen één en twee, apart in een lege bak. Dan kom ik bij het eerste raam met wat stuifmeel, waarna het eerste raam met broed. Ik toon het stuifmeel, de honingvoorraad en het broed en ik constateer opnieuw dat cursisten in eerste instantie het verschil niet zo snel zien. Zelfs stuifmeel zien ze aan voor werksterbroed. Waarna rooster en honingbak erop. Zo, en nu mag je het zelf proberen. Controleer de volken op ‘voer en moer’, zoals ik dan zeg.

Kasten open

Gelukkig heb ik capabele mensen bereid gevonden om erbij te zijn. Een van hen is een ouwe rot in het vak en twee zijn betrekkelijk nieuwe leden die de vorige keer zelf cursist waren. Ik hoop dat laatst genoemden zo twee vliegen in één klap slaan: ze volgen de cursus nog eens en ze kunnen de cursisten mooi een  handje helpen. Secondanten zijn wel een voorwaarde voor een beginnerscursus, vind ik. Het kan vast zonder, maar met name het praktijkdeel verloopt wel heel veel vlotter als je beschikt over veel extra handen, ogen en hersens. Op die manier maak je van zo’n cursus een aardige verenigingsactiviteit bovendien.

Ondertussen is al mijn aandacht is gevestigd op het gestuntel van een dame die ik mag coachen, waardoor ik weinig meekrijg van wat elders gebeurt. Vaak geef ik hardop instructies. Het is immers belangrijk dat je als docent inziet dat iemands kortetermijngeheugen zeer snel volloopt. Als allerlei handelingen en overwegingen nog lang niet geautomatiseerd zijn en je moet bij allerlei elementaire zaken bewust stil staan, dan kun je als beginner compleet de kluts kwijt raken. Aan de docent de taak om niet te veel en niet te weinig instructies te geven. Leren mag enerzijds best moeite kosten; anderzijds willen mensen niet bekleuterd worden. Ik hoop dat ik het evenwicht bewaard heb, ofschoon ik het niet kan helpen als ik even in de lach schiet, waarop de dame mij licht verontwaardigd vraagt wat er is. Het is het gestuntel, echt sorry. Het was sterker dan ik, mijn welgemeende excuses.

Moerloos

Bij wijze van toegift open ik de lattenkast die ik heb toegevoegd aan de rij spaarkasten – er staat ook nog een zonnewassmelter. Die blijkt darrenbroedig  te zijn. Niet leuk voor mij, maar zeer leerzaam voor de cursisten. Ik realiseer mij dat ik nog niet had verteld wat je moet doen als er geen moer in de kast zit. Antwoord: stapel twee kasten op elkaar. ‘Maar er kan toch een darrenbroedige moer in zitten die de goede moer kan doodsteken?’ Dat klopt, maar ik hoor al twee voorwaarden: er moet zo’n darrenbroedige moer aanwezig zijn – meestal heb je darrenbroedige werksters – en ze moet de strijd winnen van de goede moer. Een beginner gaat die slechte moer er echt niet uit halen, dus zet die kasten toch maar op elkaar. ‘Je kan het slechte volk toch vijftig meter voor de kast afslaan?’ Pfoe, liever niet in deze tijd van het jaar. Ik vrees dat de meeste bijen dan vanavond liggen te sterven in het natte gras. (Zie volgende blogbericht ‘Darrenbroedige moer’ in deze rubriek voor de afloop!)

Ik sluit af met het uitdelen van exemplaren van Bijenhouden, hoe doe je dat van Friedrich Pohl en ik vertel welke bladzijden ze voor de volgende keer aandachtig gelezen moeten hebben. We zien elkaar terug op 17 april, Deo volente ijs en weder dienende als de weergoden meewerken.

Share this post

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin
Share on pinterest
Share on print
Share on email
Share on whatsapp
Share on email

Geef een antwoord